ECLI:NL:CRVB:2021:172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd sinds 1994, had een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde ontvangen op grond van de door hem opgegeven situatie van duurzaam gescheiden leven. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na een steekproefonderzoek vast dat deze situatie niet juist was en herzag het pensioen naar dat van een gehuwde pensioengerechtigde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leefden. Dit oordeel was gebaseerd op diverse feitelijke omstandigheden zoals gezamenlijk eigendom van de woning, gedeelde vakanties, frequente bezoeken, het gebruik van elkaars sleutels en wederzijdse erfgenaamstelling in testamenten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij inmiddels nauwelijks contact meer had met zijn echtgenote en dat de eerdere feiten niet meer van toepassing waren. De Raad stelde echter vast dat het moment van beoordeling op 1 februari 2018 lag en dat de feiten toen wel degelijk wezen op het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.
De Raad onderschreef het oordeel en de motivering van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het pensioen terecht was herzien. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.