ECLI:NL:CRVB:2021:1720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep UWV tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
Betrokkene vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid vanaf augustus 2008. Het UWV weigerde de uitkering omdat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene gedurende 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was. De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd, stellende dat het bewijsrisico vanwege bijzondere omstandigheden niet bij betrokkene lag.
Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de vaste rechtspraak geldt dat het bewijsrisico bij de aanvrager blijft, zeker bij laattijdige aanvragen. Uit medische gegevens bleek dat betrokkene na de ziekmelding in 2008 meerdere keren werkte en dat er geen continuïteit was in medische rapportage over de periode 2009-2010.
De Centrale Raad van Beroep volgde het UWV en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het bewijsrisico bij het UWV legde. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er was onvoldoende bewijs dat betrokkene gedurende 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest.
De Raad wees ook op het ontbreken van ZW-uitkering in de relevante periode en het feit dat betrokkene in 2010 wel bijstandsuitkeringen had aangevraagd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 juli 2021.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken arbeidsongeschiktheid.