Appellante was sinds 15 november 2017 tijdelijk in dienst bij de gemeente Utrecht in een proefperiode van een jaar. Na een negatieve resultaatsbeoordeling met een eindscore E (onvoldoende) over de periode november 2017 tot mei 2018, besloot het college haar dienstverband tussentijds per 1 augustus 2018 te beëindigen wegens ongeschiktheid voor de functie.
Appellante maakte bezwaar tegen de beoordeling en het ontslagbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Haar wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was het dienstverband tussentijds te beëindigen. Appellante stelde hoger beroep in en vorderde tevens schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank niet tekort is geschoten in haar motivering en onderschrijft het oordeel dat het college niet heeft ingestemd met rechtstreeks beroep, waardoor het bevoegd was zelf op bezwaar te beslissen. De Raad stelt vast dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante relevante tekortkomingen in haar functioneren vertoonde en dat zij een reële kans heeft gekregen zich te verbeteren, maar daarin niet slaagde.
De Raad vindt de termijn voor het indienen van aanvullende gronden niet onredelijk en wijst het beroep af. Ook is geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.