ECLI:NL:CRVB:2021:18
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen per 5 juli 2013
Appellant, voormalig medewerker tuinbouw, heeft zich meerdere malen ziek gemeld en verzocht om een WIA-uitkering. Na een hartinfarct in 2009 en diverse ziekmeldingen werd zijn aanvraag voor een loongerelateerde WGA-uitkering afgewezen omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een ziekmelding per 5 juli 2013 werd hem een ZW-uitkering toegekend, maar het Uwv beëindigde deze later omdat hij geschikt werd geacht voor werk.
Appellant betoogde dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen vanaf 5 juli 2013 waren toegenomen, onder meer onderbouwd met medische rapporten en een eerdere toekenning van een ZW-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat er geen overtuigende medische onderbouwing was voor toegenomen beperkingen per die datum en dat de ZW-beoordeling niet gelijk is aan die van de WIA.
De Raad oordeelde dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep deugdelijk en navolgbaar zijn en dat appellant onvoldoende medische feiten heeft overgelegd die een toename van beperkingen per 5 juli 2013 aantonen. Daarom is het oordeel van het Uwv dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per die datum terecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 5 juli 2013 wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.