Appellant ontving bijstand als alleenstaande en kreeg in de periode oktober 2015 tot maart 2017 meerdere bedragen van zijn vader op zijn bankrekening gestort. Het college herzag de bijstand en rekende deze bedragen als inkomen, omdat appellant vrij over deze gelden kon beschikken, ondanks dat ze bedoeld waren voor kunstenaarsmaterialen. Appellant voerde aan dat het om leningen ging en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, maar dit werd verworpen omdat het college nooit toezegde dat leenovereenkomsten de bijschrijvingen zouden uitsluiten als inkomen.
Het college legde tevens boetes op wegens het niet melden van deze bijschrijvingen. De rechtbank wees de beroepen van appellant af. In hoger beroep oordeelde de Raad dat de boetes te hoog waren in verhouding tot de draagkracht van appellant en dat er slechts één boete passend was. De Raad vernietigde daarom de boetebesluiten voor zover zij afzonderlijk waren opgelegd en stelde de boete vast op € 399,45.
De Raad veroordeelde het college ook in de proceskosten van appellant. Hiermee werd het beroep deels gegrond verklaard, waarbij de herziening van de bijstand werd bevestigd, maar de boetes werden verminderd.