Appellant ontvangt sinds 2010 een IOAW-uitkering en is vanwege duurzame arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk ontheven van arbeidsverplichtingen. Hij verzocht om medisch gemotiveerd langer dan de toegestane 28 dagen in Turkije te verblijven, wat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij gelijkgesteld moet worden met een pensioengerechtigde die dertien weken in het buitenland mag verblijven. De Raad oordeelt dat appellant slechts tijdelijk en gedeeltelijk ontheven is van arbeidsverplichtingen en daarom niet gelijkgesteld kan worden met een pensioengerechtigde. Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot langer verblijf in het buitenland wordt daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte het college niet in de proceskosten heeft veroordeeld, omdat het gewijzigde besluit in hoger beroep aanleiding gaf tot een kostenveroordeling. De Raad veroordeelt het college daarom alsnog tot vergoeding van de proceskosten van appellant.