Uitspraak
19.3598 WAJONG
mr. M.J.H.H. Fuchs.
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende een Wajong-aanvraag in op grond van haar arbeidsongeschiktheid, waarbij zij medische informatie over haar beperkingen overlegde. Het UWV stelde vast dat zij op haar 18e en 23e jaar functionele mogelijkheden had die overeenkwamen met een eerder vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst uit 2003.
Het UWV wees de aanvraag af omdat appellante toen in staat was ten minste het minimumloon te verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid niet anders was dan eerder vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege medische redenen, waaronder een urenbeperking en werktempo. De Raad oordeelde dat de medische informatie en verklaringen van werkgevers dit niet onderbouwden en dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom de belastbaarheid niet anders was.
De Raad passeerde een formele schending van de Awb omdat deze niet tot benadeling had geleid en bevestigde het bestreden besluit. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De Wajong-aanvraag van appellante is terecht afgewezen omdat haar belastbaarheid op 18- en 23-jarige leeftijd niet anders was dan eerder vastgesteld.