ECLI:NL:CRVB:2021:2075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante ontving bijstand sinds 2013 en woonde vanaf 2014 met haar partner en kind op een kamer. In 2018 kreeg zij een urgentieverklaring en verhuisde naar een zelfstandige woning, waarna zij bijzondere bijstand voor inrichtingskosten aanvroeg. Het college wees dit af omdat de verhuizing niet als plotseling en onvoorzienbaar werd beschouwd en appellante had kunnen reserveren voor de kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellante aan dat de urgentieverklaring juist wees op een plotselinge verhuizing en dat door de kostendelersnorm reserveren onmogelijk was. De Raad oordeelde dat de urgentieverklaring op zichzelf geen bewijs is van plotselingheid en dat appellante al jaren bijstand ontving waarmee zij kleine bedragen had kunnen reserveren.
De Raad benadrukte dat inrichtingskosten in principe uit het reguliere inkomen betaald moeten worden en bijzondere bijstand alleen wordt toegekend bij bijzondere omstandigheden. Appellante maakte niet aannemelijk dat haar situatie uitzonderlijk was of dat hoge huur haar reserveringsmogelijkheden belemmerden.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden en appellante had kunnen reserveren.