ECLI:NL:CRVB:2021:2076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2021
Publicatiedatum
18 augustus 2021
Zaaknummer
19/5225 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 31 ParticipatiewetArt. 34 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bij verhuizing na urgentieverklaring

Appellante ontving sinds 2015 bijstand en woonde met haar kinderen bij haar ex-schoonouders. In maart 2018 vroeg zij een urgentieverklaring aan en kreeg deze in juni 2018 toegekend. In november 2018 verhuisde zij naar een nieuwe woning en vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten. Het college wees dit af omdat de verhuizing niet plotseling en onvoorzienbaar was en appellante had kunnen reserveren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de verhuizing plotseling was vanwege medische redenen en dat zij door de kostendelersnorm niet had kunnen reserveren. De Raad oordeelde dat de urgentieverklaring niet automatisch een plotselinge verhuizing betekent en dat appellante vanaf maart 2018, en zelfs al eerder, had kunnen reserveren.

De Raad benadrukte dat inrichtingskosten in principe uit het bijstandsniveau betaald moeten worden en bijzondere bijstand alleen bij bijzondere omstandigheden wordt toegekend. Omdat appellante niet aannemelijk maakte dat haar vertrek noodgedwongen en onverwacht was, en zij voldoende tijd en inkomen had om te reserveren, werd het hoger beroep afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bevestigd.

Uitspraak

19.5225 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2019, 19/2420 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 17 augustus 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2021. Namens appellante is mr. Van Heijningen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 28 december 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder, tot november 2018 met kosten delende medebewoners. Zij woonde sinds die datum met haar twee kinderen op een kamer bij haar ex-schoonouders. Op 23 maart 2018 heeft zij een urgentieverklaring aangevraagd voor het verkrijgen van een andere woning. Het college heeft bij besluit van 20 juni 2018 aan appellante een urgentieverklaring verleend. Appellante heeft in november 2018 een nieuwe woning gevonden en staat sinds 23 november 2018 op haar nieuwe adres ingeschreven.
1.2.
Op 3 december 2018 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van het inrichten van haar woning.
1.3.
Bij besluit van 13 december 2018, na bezwaar onder wijziging van de grondslag gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, omdat geen sprake was van een plotselinge en onvoorzienbare verhuizing. Appellante heeft voldoende mogelijkheden gehad om voor de kosten van woninginrichting te reserveren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, kort weergegeven en zoals ter zitting nader toegelicht, het volgende aangevoerd. Haar verhuizing was plotseling en onvoorzien, omdat zij door een medische reden met spoed haar oude woning moest verlaten. Dit blijkt uit de aan haar verleende urgentieverklaring. Door deze plotselinge en onverwachte verhuizing en gezien de omstandigheid dat toepassing was gegeven aan de kostendelersnorm, heeft appellante niet kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Inrichtingskosten zijn incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten in het individuele geval een objectieve noodzaak bestaat kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3.
In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat in haar geval de inrichtingskosten wel voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Daarbij is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Nog daargelaten dat uit het in 1.1 vermelde besluit van 20 juni 2018 niet valt af te leiden dat aan appellante om medische redenen een urgentieverklaring is verleend, betekent de afgifte van die verklaring op zichzelf niet dat de verhuizing plotseling en onvoorzienbaar was. [1] Appellante heeft op 23 maart 2018 een aanvraag ingediend om voorrang te verkrijgen bij woningtoewijzing. Zij had in elk geval vanaf die datum de gelegenheid om te reserveren voor de kosten die met het inrichten van een nieuwe woning verband houden.
4.3.2.
Gelet op haar woonsituatie sinds 28 december 2015 had appellante ook al eerder kunnen voorzien dat zij zou gaan verhuizen. Appellante had vanaf dat moment voor de inrichtingskosten kunnen reserveren. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar vertrek uit de kamer noodgedwongen was en op een zodanig moment kwam dat onvoldoende kon worden gereserveerd. [2] Op het moment van de aanvraag om bijzondere bijstand ontving appellante al enkele jaren bijstand en daarmee een inkomen waaruit zij kon reserveren voor de voorzienbare inrichtingskosten. Ook bij de toepassing van de kostendelersnorm moet zij in staat zijn geweest kleine bedragen te reserveren. [3] De kostendelersnorm is namelijk toegesneden op de situatie dat de betrokkene bepaalde bestaanskosten kan delen met een of meerdere medebewoners. Daarom valt niet in te zien dat het inkomen van appellante niet toereikend was om enig bedrag te reserveren voor de voorzienbare inrichtingskosten. [4]
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2021.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) R.I.S. van Haaren

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 23 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5628.
2.Vergelijk de uitspraak van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3647.
3.Vergelijk de uitspraak van 30 januari2018, ECLI:NL:CRVB:2018:319.
4.Vergelijk de uitspraak van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1877.