ECLI:NL:CRVB:2021:2076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bij verhuizing na urgentieverklaring
Appellante ontving sinds 2015 bijstand en woonde met haar kinderen bij haar ex-schoonouders. In maart 2018 vroeg zij een urgentieverklaring aan en kreeg deze in juni 2018 toegekend. In november 2018 verhuisde zij naar een nieuwe woning en vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten. Het college wees dit af omdat de verhuizing niet plotseling en onvoorzienbaar was en appellante had kunnen reserveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de verhuizing plotseling was vanwege medische redenen en dat zij door de kostendelersnorm niet had kunnen reserveren. De Raad oordeelde dat de urgentieverklaring niet automatisch een plotselinge verhuizing betekent en dat appellante vanaf maart 2018, en zelfs al eerder, had kunnen reserveren.
De Raad benadrukte dat inrichtingskosten in principe uit het bijstandsniveau betaald moeten worden en bijzondere bijstand alleen bij bijzondere omstandigheden wordt toegekend. Omdat appellante niet aannemelijk maakte dat haar vertrek noodgedwongen en onverwacht was, en zij voldoende tijd en inkomen had om te reserveren, werd het hoger beroep afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bevestigd.