ECLI:NL:CRVB:2021:2117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing laattijdige Wajong-aanvraag en geen schending equality of arms
Appellante, geboren in 1973, diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering die door het UWV werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De aanvraag werd als laattijdig beschouwd, waardoor het vaststellen van haar medische situatie op jonge leeftijd bemoeilijkt werd.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij alle medische gegevens en beperkingen inzichtelijk waren meegenomen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden hun conclusies op overtuigende wijze gemotiveerd.
Appellante stelde in hoger beroep dat er sprake was van ongelijkheid in proceskansen (schending van het beginsel van equality of arms) omdat zij geen financiële middelen had voor een onafhankelijk medisch onderzoek, terwijl het UWV dit wel kon bekostigen. De Raad volgde dit verweer niet, omdat het dossier van appellante uitgebreide medische informatie bevatte en het UWV deze informatie zorgvuldig had verwerkt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het financiële onvermogen van appellante niet tot een schending van het beginsel van equality of arms leidde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-aanvraag gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de laattijdige Wajong-aanvraag en wijst het hoger beroep af.