Appellant ontving vanaf november 2016 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze uitkering. Uit het onderzoek en een gesprek met appellant bleek dat hij werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn schoonvader, zonder dit te melden aan het UWV.
Het UWV trok de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag van bijna €30.000,- terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht, die later werd verlaagd vanwege de financiële draagkracht van appellant.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had gehandeld, ook omdat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens had overgelegd om zijn eerdere verklaring te weerleggen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de anonieme melding onbetrouwbaar was en dat hij slechts beperkt en deels onbetaald had gewerkt, maar deze argumenten werden verworpen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV ook zonder anonieme melding onderzoek kan doen en dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering terecht waren. De boete behoeft geen verdere bespreking nu de intrekking standhoudt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak bevestigd.