Uitspraak
18.2042 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.403,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een voormalig werknemer die sinds 1997 in Nederland woonde en sinds 2005 in Bosnië-Herzegovina verblijft, ontving een WAO-uitkering die in 2005 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%, later aangepast naar 25 tot 35%. Na melding van verslechtering van zijn gezondheid in 2013 werd appellant onderzocht in Bosnië-Herzegovina. Het UWV verhoogde zijn uitkering in 2016 naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid, wat appellant betwistte.
De rechtbank oordeelde dat het UWV het recht op hoor en wederhoor niet had geschonden, aangezien appellant niet had gereageerd op een brief over een hoorzitting. De Raad stelde vast dat deze brief niet aangetekend was verzonden en het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat appellant deze had ontvangen, waardoor het recht op hoor en wederhoor niet was opgegeven. Desondanks werd het gebrek gepasseerd omdat het besluit inhoudelijk juist was.
Verder oordeelde de Raad dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening van het oorspronkelijke besluit uit 2005 rechtvaardigden, en dat de toegenomen beperkingen medisch en arbeidskundig juist waren vastgesteld. De arbeidsongeschiktheid werd terecht ingedeeld in de klasse 35 tot 45%. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.