ECLI:NL:CRVB:2021:2303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning onder Wmo 2015
Appellante vroeg om huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op basis van een medisch advies uit januari 2017, waarin werd vastgesteld dat appellante het huishouden zelf kan doen mits gespreid over de week en in een rustig tempo. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werden nadere medische stukken overgelegd, maar deze gaven geen aanleiding tot wijziging van het eerdere advies.
In 2018 diende appellante opnieuw een aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat de medische situatie niet was gewijzigd en de meerderjarige zoon van appellante als gebruikelijke hulp kon worden beschouwd. Appellante stelde dat haar zoon niet thuis is en niet bereid is te helpen, maar kon dit niet met objectieve gegevens onderbouwen. De Raad oordeelde dat het college mocht uitgaan van het eerdere medische onderzoek en dat de weigering van de zoon voor risico van appellante komt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een nieuw medisch onderzoek en het college hoefde geen maatwerkvoorziening te verstrekken. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015.