Appellante en [naam X.] hadden een relatie en verzorgden samen drie kinderen. Na hun scheiding in 2017 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) aanvankelijk de kinderbijslag aan appellante uitbetaald. Later verzocht [naam X.] om de kinderbijslag aan hem uit te betalen. De Svb besloot dit vanaf het eerste kwartaal van 2018 te doen, omdat hij de hoogste financiële bijdrage leverde in het onderhoud van de kinderen.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat bij gelijkwaardige zorg de kinderbijslag gelijk verdeeld zou moeten worden, ongeacht de financiële bijdrage. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van co-ouderschap in de zin van het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK) omdat de bijdragen niet gelijk waren. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad legt uit dat volgens artikel 18, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) de kinderbijslag wordt uitbetaald aan de ouder die de hoogste bijdrage levert, tenzij anders overeengekomen. Hoewel dit in sommige gevallen kan leiden tot onbedoelde financiële nadelen voor de minst draagkrachtige ouder, ligt het vinden van een oplossing buiten de rechtsvormende taak van de rechter.
De Raad concludeert dat de Svb terecht de kinderbijslag aan [naam X.] uitbetaalt en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.