ECLI:NL:CRVB:2021:2347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand beëindigend zelfstandige wegens onvoldoende bewijs niet-levensvatbaarheid bedrijven
Appellant, als directeur en bestuurder van meerdere bedrijven, vroeg bijstand aan als beëindigend zelfstandige op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet de gevraagde financiële gegevens over de jaren 2014 tot en met 2017 had aangeleverd, waardoor de niet-levensvatbaarheid van zijn bedrijven niet kon worden vastgesteld.
Appellant stelde dat hij door het handelen van de bijstandsconsulent niet in staat was geweest om met hulp van het ondernemersklankbord (OKB) alsnog de benodigde gegevens te verkrijgen. Deze stelling werd niet aannemelijk geacht, mede omdat het OKB de werkzaamheden had beëindigd vanwege een verstoorde relatie met de gemeente.
De Raad oordeelde dat het op de aanvrager rust om aannemelijk te maken dat zijn bedrijven niet levensvatbaar zijn en dat het college geen zelfstandige onderzoeksplicht heeft. Verder faalde appellant in zijn beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen toezegging was gedaan dat bijstand op grond van het Bbz 2004 zou worden verleend.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand als beëindigend zelfstandige wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van niet-levensvatbaarheid van de bedrijven.