ECLI:NL:CRVB:2021:243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant, met een aangeboren hersenaandoening en motorische beperkingen, diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af, omdat appellant niet voldeed aan de criteria voor permanente zorg of toezicht. Appellant maakte bezwaar en stelde CIZ in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Na een late beslissing op bezwaar stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, onder meer omdat hij niet persoonlijk was onderzocht en niet alle medische informatie was meegewogen. Ook betwistte hij dat hij in staat zou zijn om in nood te alarmeren. De Raad oordeelde dat de medisch adviseurs voldoende dossieronderzoek hadden gedaan, inclusief overleg met huisarts en fysiotherapeut, en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om aanvullende medische stukken te overleggen. De Raad vond geen aanleiding voor een onafhankelijk medisch deskundige.
De Raad concludeerde dat appellant in de periode van aanvraag tot beslissing niet voldeed aan de voorwaarden voor zorg op grond van artikel 3.2.1 Wlz, omdat hij in staat was om met hulpmiddelen hulp in te roepen. Wel stelde de Raad vast dat CIZ onrechtmatig te laat op het bezwaar had beslist en legde een dwangsom van €610,- op. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad veroordeelde CIZ tot betaling van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen voor de zorgvraag, maar CIZ wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €610 wegens te late beslissing op bezwaar.