ECLI:NL:CRVB:2021:2497
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over arbeidskundig onderzoek en maatmanwisseling bij WAO-uitkering
Appellant, werkzaam als lasser en later als zeilmaker, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25%, later verhoogd naar 55-65%. Het UWV baseerde dit op een arbeidsdeskundig onderzoek dat geen opleiding tot zeilmaker erkende, maar leerde het vak in de praktijk. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en stelde de maatman op de functie van lasser.
Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de maatman op zeilmaker moest worden gesteld vanwege een interne opleiding die vergelijkbaar was met een opleiding van enige duur en zwaarte. Tevens voerde hij aan dat het beginsel van equality of arms was geschonden en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Raad volgde de rechtbank in de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt te onderbouwen, waardoor geen schending van equality of arms was. Wel constateerde de Raad dat het UWV een te beperkt criterium hanteerde bij de maatmanwissel, omdat het geen zicht had op de aard van de interne opleiding tot zeilmaker.
Daarom is er sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in het arbeidskundig onderzoek. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken een nader onderzoek te verrichten naar de inhoud, duur en zwaarte van de interne opleiding en op basis daarvan te beoordelen of een maatmanwisseling gerechtvaardigd is en wat de gevolgen daarvan zijn voor het arbeidsongeschiktheidspercentage per 30 januari 2017.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nader arbeidskundig onderzoek te verrichten naar de interne opleiding tot zeilmaker en de mogelijke maatmanwisseling.