Uitspraak
20.3903 MAW
6 november 2020, 19/7919 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2008 werkzaam bij Defensie als instructeur binnen een opleidingseenheid. Na een melding van gedrag in strijd met de sociale integriteitsregels werd een onderzoek ingesteld, waarna appellant werd geschorst. Uit het rapport bleek dat appellant seksuele relaties had met drie vrouwelijke cadetten gedurende een langere periode, zonder dit te melden, wat werd aangemerkt als wangedrag.
De staatssecretaris verleende appellant ontslag wegens wangedrag, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat het bewijs onvoldoende was en deed hij een beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op een concept ambtsbericht en communicatie met een majoor.
De Raad oordeelde dat het bewijs voldoende was om het wangedrag vast te stellen en dat ook een eenmalig intiem contact een intieme verhouding vormt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezeggingen of gedragingen van de staatssecretaris aannemelijk waren die een dergelijke verwachting rechtvaardigden. Het ontslag werd als proportioneel en passend beoordeeld gezien de ernst en duur van het gedrag en de voorbeeldfunctie van appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag wegens wangedrag wordt bevestigd en het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.