ECLI:NL:CRVB:2021:2617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden gokactiviteiten
Appellante ontvangt sinds 2001 bijstand en werd onderzocht in het kader van het project Heronderzoek PW 2018. Uit bankafschriften bleek dat zij in de periode juli 2018 tot juli 2019 meerdere opnames in gokinstellingen heeft gedaan en dat er stortingen en bijschrijvingen van derden op haar rekening stonden. Het college trok de bijstand over diverse maanden in en herzag de bijstand over maart 2019 vanwege een storting van € 200,- die als inkomen werd aangemerkt.
Appellante voerde aan dat zij niet wist dat zij gokactiviteiten en gerelateerde stortingen moest melden, en dat de terugvordering onevenredig was. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat bij meerdere opnames kort na elkaar in gokinstellingen sprake is van gokactiviteiten die gemeld moeten worden, omdat deze inkomsten kunnen opleveren die van belang zijn voor het recht op bijstand.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van haar gokactiviteiten en de opbrengsten daarvan. Omdat zij geen inzicht gaf in de omvang van haar activiteiten en uitgekeerde bedragen, kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. De storting van € 200,- werd terecht als inkomen aangemerkt. De terugvordering is niet onevenredig omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht had op bijstand bij correcte naleving van de inlichtingenplicht.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.