Appellant ontving bijstand vanaf juli 2017 en werd onderzocht in het kader van een heronderzoek Participatiewet 2018 in Rotterdam. Uit bankafschriften bleek dat appellant in de periode augustus 2017 tot en met januari 2018 geld opnam bij casino’s, variërend van kleine bedragen tot €325 per maand. Het college besloot op 6 februari 2018 de bijstand over die periode in te trekken en terug te vorderen wegens niet gemelde gokactiviteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet wist dat hij het pinnen in een casino moest melden en dat hij ook kwam om te eten en drinken. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant in de maanden september 2017 tot en met januari 2018 gokactiviteiten verrichtte, maar onvoldoende bewijs was voor augustus 2017, waarin slechts één opname van €10 plaatsvond.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de maand augustus 2017 betreft en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De schending van de inlichtingenplicht werd bevestigd omdat appellant niet had gemeld dat hij gokte, wat van belang is voor het recht op bijstand.