Uitspraak
20.936 AOW
mr. A. Marijnissen en mr. A.P. van den Berg.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 als Rijnvarende op een binnenvaartschip met Nederlandse eigenaar, maar zonder geldige Rijnvaartverklaring. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat de Luxemburgse wetgeving van toepassing zou moeten zijn en dat de Svb procedurevoorschriften niet correct had gevolgd. Tevens stelde hij dat de Svb onterecht aannam dat het schip werd geëxploiteerd door een Nederlandse onderneming. De Raad overwoog dat de Svb gebonden is aan het uniforme stelsel van conflictregels en dat appellant geen keuzerecht heeft. De Raad bevestigde dat de Nederlandse wetgeving terecht is toegepast.
De Raad benadrukte dat bij ontbreken van een Rijnvaartverklaring de eigenaar als exploitant wordt beschouwd, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Appellant kon dit niet aannemelijk maken. De procedurevoorschriften van de Toepassingsverordening zijn niet van toepassing bij de Rijnvarendenovereenkomst. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op appellant.