ECLI:NL:CRVB:2021:2650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering ondanks discussie over PTSS-diagnose
Appellante was werkzaam als civiele genderadviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en meldde zich in januari 2014 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf januari 2016 een WIA-uitkering toe wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde bezwaar aan tegen het besluit, met name over de diagnose PTSS die door verzekeringsartsen werd gesteld, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de diagnose PTSS onjuist was en dat dit haar carrière en reputatie ernstig had geschaad. Zij betoogde dat haar ziekmelding niet voortkwam uit haar werkzaamheden tijdens buitenlandse missies, maar door de wijze van behandeling door haar werkgever. Het UWV handhaafde het besluit en benadrukte dat de diagnose niet bepalend is voor de vaststelling van arbeidsbeperkingen.
De Raad oordeelde dat hoewel het mogelijk is dat de verzekeringsartsen ten onrechte uitgingen van de PTSS-diagnose, dit niet betekent dat de beoordeling onzorgvuldig of onjuist was. De medische beperkingen zijn zorgvuldig onderzocht en onderbouwd. De diagnose zelf is niet doorslaggevend voor de arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd daarom verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot toekenning van de WIA-uitkering wordt bevestigd.