ECLI:NL:CRVB:2021:2672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling WIA-dagloon ondanks latere WW-uitkeringsbetalingen
Appellant ontving vanaf november 2013 een WW-uitkering en werkte daarnaast tijdelijk tot oktober 2015. Na ziekte werd hij per december 2017 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering op basis van de Wet WIA, waarbij het dagloon werd vastgesteld op €62,80. Appellant voerde aan dat de latere uitbetaling van WW-uitkeringen over de referteperiode (november 2015 en correctie in januari 2016) ten onrechte buiten de dagloonberekening zijn gelaten, wat tot een lagere uitkering leidt.
De Raad overwoog dat het Dagloonbesluit bepaalt dat loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin de werkgever de loonaangifte bij de Belastingdienst doet, en niet aan het moment van betaling. Latere betalingen die na het refertejaar zijn gedaan, mogen daarom buiten beschouwing blijven. Dit is een politiek-bestuurlijke afweging die slechts terughoudend door de rechter wordt getoetst.
Appellants beroep op artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit, dat loon kan worden toegerekend bij ziekte of werkstaking, faalde omdat die situatie niet op hem van toepassing was. Ook het beroep op afwijking van polisgegevens werd verworpen omdat in zijn situatie de polisadministratie volledig was. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.