Uitspraak
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelde verzoeken van zeven betrokkenen die schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in 2013 en 2014.
De Raad oordeelde dat de verzoeken om materiële schadevergoeding van verzoekers 3, 4 en 5 worden afgewezen omdat de nieuwe besluiten hetzelfde rechtsgevolg hadden als de vernietigde besluiten. Verzoekers 1, 2, 6 en 7 vorderden kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke kosten, maar konden deze niet aannemelijk maken, waardoor ook deze verzoeken werden afgewezen.
Verzoeken om immateriële schadevergoeding anders dan wegens overschrijding van de redelijke termijn werden ingetrokken door enkele verzoekers of afgewezen wegens het ontbreken van objectief vast te stellen geestelijk letsel.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met meer dan dertig maar minder dan zesendertig maanden was overschreden. Daarom kende hij aan verzoekers 1 tot en met 5 en 7 een aanvullende schadevergoeding van € 500,- toe wegens deze overschrijding. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 400,50 aan deze verzoekers.
De verzoeken om vergoeding van proceskosten tegen de Svb werden afgewezen omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die dit rechtvaardigen.
Uitkomst: Verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen, behalve een vergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn aan verzoekers 1 tot en met 5 en 7.