ECLI:NL:CRVB:2021:2959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkeringsweigering
Appellant was werkzaam als kraanmachinist en verkeersregelaar en meldde zich ziek met psychische klachten. Na een Ziektewetuitkering vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en weigerde de WIA-uitkering. Na bezwaar werd de Ziektewetuitkering voortgezet en een nieuwe beoordeling uitgevoerd, waarbij de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% werd vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en overhandigde een expertise waarin enkele functies vervielen, maar de arbeidsongeschiktheid bleef onder 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de verzekeringsgeneeskundige expertise niet terzijde mocht worden geschoven en verzocht om inschakeling van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het belang van appellant onvoldoende was omdat de mate van arbeidsongeschiktheid, ook met de door hem aangevoerde beperkingen, onder de 35% bleef. Appellant gaf geen nadere toelichting op zijn procesbelang en stemde in met afdoening zonder zitting. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.