Betrokkenen verkochten hun onderneming voor €11.000,- aan een derde en sloten een geldleningsovereenkomst waarbij de koopsom in zes maandelijkse termijnen werd afgelost. Het college wees hun bijstandsaanvraag af omdat het de maandelijkse betalingen als inkomen beschouwde, wat de norm overschreed.
De rechtbank oordeelde dat de ontvangen bedragen uit de verkoop van de onderneming als vermogen moesten worden aangemerkt en vernietigde het besluit. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de bron van de betalingen de verkoop van een vermogensbestanddeel is en dat de termijnen slechts een betalingswijze zijn, waardoor het geen inkomen maar vermogen betreft. De Raad vernietigde het bestreden besluit en kende bijstand toe vanaf de gewenste ingangsdatum.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en legde griffierecht op. Hiermee is het geschil definitief beslecht en is de bijstand aan betrokkenen toegekend.