Uitspraak
19 696 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van psychische aandoeningen, maar het UWV stelde vast dat er onvoldoende feitelijke informatie was om te beoordelen of appellant op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna jonggehandicapte was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt en de medische situatie uit het verleden niet meer verantwoord kan worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen had en overwoog bewijsnood, met verwijzing naar medische rapporten en gegevens over zijn arbeidsverleden. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen aanleiding zag om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat er geen objectieve informatie was om de mate van beperkingen en arbeidsongeschiktheid vast te stellen.
De Raad bevestigde dat de laattijdige aanvraag het vaststellen van de medische situatie bemoeilijkt en dat dit risico voor rekening van appellant komt. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende objectieve medische gegevens en laattijdige aanvraag.