ECLI:NL:CRVB:2021:3179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling door UWV
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator, meldde zich ziek met longklachten en later met psychische klachten. Het UWV weigerde hem na de wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen en beëindigde het ziekengeld per 6 september 2016 na verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het UWV zijn beperkingen onderschatte, met name de psychische klachten en medicatieverhoging. Hij verzocht tevens om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. De Raad toetste de zaak aan het arrest Korošec en concludeerde dat appellant geen ongelijkheid in procespositie had en voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt te onderbouwen.
De Raad stelde vast dat de medische beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 december 2013 ook op de datum in geding van toepassing waren. De vermeende verslechtering van de psychische toestand en medicatieverhoging na die datum konden niet worden aangetoond. Ook de voetklachten leidden niet tot een andere beoordeling van de belastbaarheid. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen omdat er geen twijfel bestond over de juistheid van de beoordeling.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 6 september 2016 wordt bevestigd.