ECLI:NL:CRVB:2021:3240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellante ontvangt sinds maart 2018 bijstand en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met kasstortingen en overschrijvingen van derden op haar bankrekening. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand over juni 2018 tot mei 2019 en vorderde € 4.187,50 terug wegens niet gemelde inkomsten. Tevens werd een boete van € 1.230,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante stelde dat de kasstortingen afkomstig waren van contant gespaard geld uit haar werkperiode, maar kon dit niet aannemelijk maken. Zij had op het aanvraagformulier aangegeven geen contant geld te bezitten. De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als inkomen worden beschouwd, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Appellante slaagde hier niet in.
De Raad bevestigde dat de boete terecht is opgelegd, omdat de schending van de inlichtingenverplichting verwijtbaar is en de hoogte van de boete passend is gelet op de draagkracht van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en boete worden bevestigd.