ECLI:NL:CRVB:2021:3320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering en afwijzing IVA-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellant, geboren in 1983, ontving aanvankelijk een Wajong-uitkering vanwege een verstandelijke beperking, ADHD en een persoonlijkheidsstoornis. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2017 werd vastgesteld dat appellant over arbeidsvermogen beschikt en dat de Wajong-uitkering per 10 oktober 2017 terecht werd beëindigd.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat appellant met passende ondersteuning basale werknemersvaardigheden bezit. De rechtbank stelde vast dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering omdat geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Dit oordeel werd gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten waarin werd aangegeven dat er nog behandelmogelijkheden zijn en dat de situatie van appellant kan verbeteren.
Appellant voerde aan dat zijn situatie sinds 2016 nauwelijks was veranderd en dat hij medicatie niet wenst te gebruiken vanwege persoonlijke overtuigingen. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de rechtbank en het Uwv dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad bevestigde dat de Wajong-uitkering terecht is ingetrokken en dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering. De hoger beroepen van appellant werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant over arbeidsvermogen beschikt, waardoor de Wajong-uitkering terecht is ingetrokken en geen recht bestaat op een IVA-uitkering.