ECLI:NL:CRVB:2021:347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek vanwege psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.
Appellant voerde bezwaar aan met rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die meer beperkingen stelden, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was, dat het UWV het vertrouwensbeginsel had geschonden en dat de loonwaarden in de geselecteerde functies onrealistisch waren. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was, het vertrouwensbeginsel niet was geschonden en dat de loonwaarden niet voldoende waren betwist.
De Raad wees verzoeken tot benoeming van deskundigen af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering ontvangt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.