ECLI:NL:CRVB:2021:369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontheffing werkzaamheden politie op basis van peildatum 1 juni 2017
In deze zaak ging het om beroepen tegen besluiten van de korpschef van politie die aanvragen om ontheffing van werkzaamheden (de 18-maandenregeling/remplaçantenregeling) afwees. De Raad bevestigde het uitgangspunt dat alle aanvragen op gelijke wijze moeten worden beoordeeld aan de hand van de situatie op de peildatum 1 juni 2017.
De korpschef had de afwijzing gemotiveerd door te stellen dat op de vrijkomende formatieplaatsen geen geschikte herplaatsingskandidaten waren die op die peildatum geplaatst konden worden. Appellanten voerden aan dat sommige herplaatsingskandidaten wel degelijk in aanmerking zouden moeten komen, omdat bijvoorbeeld het herplaatsingsplan van kandidaat 8 pas na de peildatum was getekend en kandidaten 28, 34, 39 en 54 in langdurige tijdelijke tewerkstelling zaten.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van de korpschef niet hoeft te leiden tot het aanbieden van functies aan kandidaten die al in een traject zaten met uitzicht op plaatsing in een andere functie. Voor de genoemde kandidaten was sprake van maatwerktrajecten of een herplaatsingsplan dat na de peildatum was opgesteld, wat de korpschef voldoende had onderbouwd. Daarom werden de beroepen ongegrond verklaard.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde hiermee de rechtmatigheid van de door de korpschef genomen besluiten.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van ontheffingsaanvragen werkzaamheden worden ongegrond verklaard.