Uitspraak
19.3651 PW
11 juli 2019, 19/698 (aangevallen uitspraak)
A. Bottema.
Centrale Raad van Beroep
Appellante verbleef met haar twee minderjarige kinderen in een crisis- en overbruggingsopvang en vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college verleende bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder die in een inrichting verblijft, de zogenaamde inrichtingsnorm.
Appellante voerde aan dat de inrichtingsnorm niet van toepassing was omdat zij geen gebruik maakte van de begeleiding in het verblijfhuis en dat het verblijfhuis haar en haar kinderen niet volledig verzorgde. De Raad oordeelde dat het verblijfhuis voldoet aan de wettelijke criteria van een inrichting, ongeacht het feitelijk gebruik van begeleiding. Ook was het niet relevant dat de verzorging niet volledig was.
Daarnaast stelde appellante subsidiair dat het college de bijstand ten onrechte niet had afgestemd op haar specifieke omstandigheden op grond van artikel 18 PW Pro. De Raad stelde vast dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie die een afwijking van de norm rechtvaardigde.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de bijstand terecht heeft verleend volgens de inrichtingsnorm en wijst het hoger beroep af.