ECLI:NL:CRVB:2021:483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden gokactiviteiten
Appellant ontving bijstand vanaf december 2013 en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met een onderzoek naar zijn gokactiviteiten. Uit bankafschriften bleek dat appellant regelmatig geld opnam voor gokken, wat niet was gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college trok de bijstand over de periode augustus 2015 tot en met juli 2016 in en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat hij gokverslaafd was en geen inkomsten had uit het gokken, en betwistte dat hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden. De Raad oordeelde echter dat het gokken zelf gemeld moet worden omdat het kan leiden tot inkomsten die van invloed zijn op het recht op bijstand. Het feit dat appellant per saldo meer verloor dan won doet hier niet aan af.
Omdat appellant geen administratie bijhield en geen inzicht kon geven in de omvang van zijn gokactiviteiten en opbrengsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Ook het beroep op belangenafweging en proportionaliteit werd verworpen omdat het college verplicht was de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet melden van gokactiviteiten wordt bevestigd.