Appellant ontving bijstand als dakloze op grond van de Participatiewet, maar het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok deze bijstand in over verschillende perioden vanwege het niet aannemelijk maken van zijn woonplaats in Utrecht en het niet verstrekken van juiste informatie over zijn verblijfplaatsen.
Het college stelde dat appellant zijn woonplaats in Utrecht had prijsgegeven en niet tot de doelgroep van daklozen behoorde, omdat hij vijf à zes dagen per week verbleef op een adres buiten Utrecht. Appellant voerde aan dat hij vaak in zijn auto sliep en niet kon aantonen waar hij verbleef. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Raad oordeelde dat het college onvoldoende relevante aspecten van het maatschappelijk leven van appellant had onderzocht.
Desondanks concludeerde de Raad dat appellant geen zwervende dakloze was en dat het college terecht de bijstand introk vanwege schending van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van controleerbare gegevens over zijn verblijfplaats. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen, maar het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.