ECLI:NL:CRVB:2021:551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW- en WAO-uitkering wegens niet voltooien wachttijd
Appellant, werkzaam als boekhouder, meldde zich op 23 september 2002 ziek met been- en psychische klachten. Het UWV beëindigde op 10 februari 2003 zijn Ziektewetuitkering omdat hij geschikt werd geacht voor zijn werk. Diverse verzoeken tot herziening en uitkeringsaanvragen werden afgewezen, onder meer omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was.
Appellant stelde dat hij op 12 februari 2003 stopte met een magistrale medicatie en ontwenningsverschijnselen kreeg, wat zijn arbeidsongeschiktheid bevestigde. Medische rapporten van een toxicoloog en psychiater werden overgelegd, maar het UWV en de rechtbank oordeelden dat er onvoldoende bewijs was dat appellant vanaf 13 februari 2003 arbeidsongeschikt was.
De Raad overwoog dat bij laattijdige ziekmelding en aanvraag het risico dat de medische situatie niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld bij de aanvrager ligt. De medische stukken boden onvoldoende onderbouwing voor de gestelde arbeidsongeschiktheid vanaf 13 februari 2003. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de verzoeken om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van het UWV om appellant een ZW- en WAO-uitkering toe te kennen wegens het niet voltooien van de wachttijd en onvoldoende medische onderbouwing.