ECLI:NL:CRVB:2021:674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ANW-halfwezenuitkering wegens vervallen wetsbepalingen
Appellante ontving een ANW-nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering, waarvan de eerste in 2011 werd ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. De halfwezenuitkering werd per 1 oktober 2013 ingetrokken vanwege wetswijzigingen die paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW lieten vervallen. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat uiteindelijk ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking van de halfwezenuitkering ongegrond en oordeelde dat de intrekking niet leidde tot een individuele onevenredig zware last, mede omdat appellante een inkomen had dat ruim boven het bruto minimumloon in Suriname lag. De intrekking van de nabestaandenuitkering kon in deze procedure niet inhoudelijk worden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar financiële situatie voldoende had toegelicht en dat zij op grond van een telefoongesprek met de Sociale Verzekeringsbank (Svb) aanspraak maakte op een eenmalige compensatie-uitkering. De Raad concludeerde echter dat het feitenonderzoek van de Svb toereikend was en dat appellante haar financiële situatie onvoldoende had onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante geen concrete gegevens over het telefoongesprek had verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de ANW-halfwezenuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.