ECLI:NL:CRVB:2021:764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over ingangsdatum WAO-uitkering na verjaring strafzaak
Appellant ontving een WAO-uitkering die in 2011 werd ingetrokken vanwege het ontlopen van een straf. Na verjaring van die straf op 10 mei 2013 vroeg appellant in 2017 hernieuwde toekenning van de uitkering. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 28 november 2016, één jaar voor de aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij de ontwikkelingen rond zijn strafzaak zelf had moeten volgen en geen bijzonder geval bestond om de uitkering eerder te laten ingaan. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV niet op de hoogte was gebracht van de verjaring en dat dit een bijzonder geval vormde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen wettelijke plicht bestond voor UWV om geïnformeerd te worden over de verjaring en dat appellant de ontwikkelingen zelf moest volgen. Er was geen bewijs van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.