ECLI:NL:CRVB:2021:785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen algemeen medewerker inpak
Appellante was werkzaam als algemeen medewerker inpak en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege vermeende vooringenomenheid en het ontbreken van overleg met de behandelend arts. Ook stelde zij dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, mede op basis van aanvullende medische informatie en WSW-indicaties.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts de beperkingen overtuigend had gemotiveerd. De Raad stelde dat verschillen in diagnoses niet leiden tot twijfel over de arbeidsongeschiktheid en dat de WSW-indicaties een ander toetsingskader kennen en geen doorslaggevende betekenis hebben voor de WIA-beoordeling.
Het verzoek om een deskundige te benoemen en om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.