ECLI:NL:CRVB:2021:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling ingangsdatum WGA-loonaanvullingsuitkering zonder bijzonder geval
Appellant, voormalig medewerker bij het ministerie van defensie, vroeg om een WIA-uitkering vanwege psychische problematiek, waaronder PTSS en middelenmisbruik. Het UWV kende hem aanvankelijk geen uitkering toe, maar wijzigde dit na bezwaar en kende een WGA-loonaanvullingsuitkering toe met ingang van 19 oktober 2015, de startdatum van zijn behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze ingangsdatum ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen aanwijzingen waren voor een eerdere datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid of duurzaamheid van beperkingen. Appellant stelde in hoger beroep dat de beperkingen al eerder en duurzaam waren, verwijzend naar eerdere diagnoses en langdurige behandelingen zonder resultaat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij om medische redenen eerder geen aanvraag kon indienen. Ook was er onvoldoende bewijs dat de beperkingen duurzaam waren, aangezien verdere behandeling nog mogelijk was en verbetering niet uitgesloten kon worden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ingangsdatum van de WGA-loonaanvullingsuitkering op 19 oktober 2015 juist is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.