ECLI:NL:CRVB:2025:1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- A.I. van der Kris
- J.P. Loof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkeer besluit IVA-uitkering en arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 4 december 2017 waarbij hem een IVA-uitkering werd toegekend met ingang van 30 augustus 2016, en om deze uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2012 te laten ingaan. Tevens werd betwist dat appellant sinds 1 juli 2010 als volledig arbeidsongeschikt moest worden aangemerkt. Het UWV wees deze verzoeken af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank bevestigde deze besluiten.
In hoger beroep stelde appellant dat hij reeds vanaf 1 juli 2010 volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van een ernstige bipolaire stoornis, ondanks dat hij in perioden heeft gewerkt. Het UWV stelde dat de bipolaire stoornis niet automatisch leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid en dat de verdiencapaciteit in de perioden na 2010 onvoldoende aanleiding gaf voor een eerdere toekenning. De Raad oordeelde dat de brief van een bedrijfsarts uit 2022 geen nieuw feit was en dat de weigering om terug te komen op het eerdere besluit niet evident onredelijk was.
De Raad bevestigde dat appellant niet doorlopend volledig arbeidsongeschikt was vanaf 1 juli 2010, maar dat hij vanaf 1 oktober 2011 weer geschikt werd geacht voor eigen werk. De nadelige financiële gevolgen van het besluit werden niet als onevenredig beschouwd. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 4:6 Awb Pro en het belang van medische onderbouwing bij het beoordelen van arbeidsongeschiktheid en terugwerkende kracht van uitkeringen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 4 december 2017 en dat appellant niet doorlopend volledig arbeidsongeschikt was vanaf 1 juli 2010.