ECLI:NL:CRVB:2022:1093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende betaling WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellanten, echtelieden en voormalige vennoten van een commanditaire vennootschap, vroegen een WW-uitkering aan na ontbinding van de vennootschap. Hun eerste aanvraag in november 2017 werd buiten behandeling gesteld wegens het niet aanleveren van gevraagde gegevens. Een nieuwe aanvraag in januari 2019 leidde tot een besluit van het UWV dat zij niet verzekerd waren en geen recht hadden op WW-uitkering vanaf augustus 2017. Na bezwaar keerde het UWV de uitkering toe vanaf november 2017, maar met terugwerkende kracht slechts vanaf 12 juli 2018, vanwege de late aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellanten niet konden aantonen dat zij eerder een volledige aanvraag hadden ingediend of dat sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de terugwerkende betaling rechtvaardigde. In hoger beroep stelden appellanten dat zij door extreem hoge belastingaanslagen en psychische klachten niet eerder een aanvraag konden doen. De Raad oordeelde dat zij deze bijzondere omstandigheden onvoldoende hadden onderbouwd en dat het UWV terecht vasthield aan de wettelijke termijn van 26 weken terugwerkende kracht.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. De opgelegde korting op de uitkering bleef gehandhaafd, maar had geen invloed op de reeds ontvangen bedragen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd; de WW-uitkeringen worden niet met terugwerkende kracht toegekend voor perioden langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraag.