ECLI:NL:CRVB:2022:1127

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
20/2930 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 3.1 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten voorafgaand aan aanvraag bevestigd

In deze zaak heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor energiekosten die zij had gemaakt vóór de datum van haar aanvraag. De aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam afgewezen omdat de nota's ouder waren dan drie maanden en de aanvraag te laat was ingediend.

De rechtbank vernietigde het besluit vanwege wijziging van de grondslag door het college, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het hoger beroep richtte zich tegen deze rechtsgevolgen. Appellante stelde dat het college haar niet had voorgelicht over de termijn voor indiening en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.

De Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die vóór de aanvraag zijn opgekomen, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellante had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Ook het gebrek aan voorlichting en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalden, omdat er geen toezeggingen of gedragingen van het college waren waaruit een ander vertrouwen kon worden afgeleid.

De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft in stand vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het niet slagen van het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

20.2930 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2020, 20/165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 10 mei 2022
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: Y. Al-Qaq
Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H. Biemond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een op 2 oktober 2019 ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor twee nota’s van [energiemaatschappij] , te weten een eindnota van 22 maart 2019 en een jaarnota van 18 oktober 2018 (nota’s van [energiemaatschappij] ). Appellante had als reden voor deze aanvraag opgegeven dat zij in verband met artrose en reuma haar woning extra moet verwarmen. Het college heeft de aanvraag afgewezen, en deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van 10 december 2019 (bestreden besluit). De grondslag van het bestreden besluit is dat appellante voor het verwarmen van haar woning niet meer betaalt dan dat daarvoor gemiddeld wordt betaald. In beroep heeft het college deze grondslag gewijzigd, in die zin dat de aanvraag om bijzondere bijstand wordt afgewezen op de grond dat de aanvraag te laat is ingediend. In de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 (Beleidsregels) is namelijk bepaald dat nota’s niet ouder dan drie maanden mogen zijn en aan dit vereiste is niet voldaan.
Omdat het college de grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd, heeft de rechtbank dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.
Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat appellante aanvoert komt neer op het volgende. Het college heeft appellante niet voorgelicht dat nota’s waarvoor zij bijzondere bijstand wil krijgen niet ouder dan drie maanden mogen zijn. Het college had daarom moeten afwijken van de beleidsregel waarin dit is neergelegd. Ook is het vertrouwensbeginsel geschonden. Het college heeft namelijk het vertrouwen gewekt dat om bijzondere bijstand te kunnen krijgen, het er niet toe doet hoe oud nota’s zijn.
Deze beroepsgronden slagen niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
De rechtbank heeft al overwogen dat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1]
De nota’s dateren van 18 oktober 2018 en 22 maart 2019. Appellante heeft op 2 oktober 2019 bijstand aangevraagd. Daarmee staat vast dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn opgekomen voordat de aanvraag is ingediend. In wat appellante aanvoert zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen om af te wijken van het uitgangspunt dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten die voor zo’n aanvraag zijn opgekomen. Ook als het college geen specifieke voorlichting zou hebben gegeven over het moment waarop een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend, is dat niet zo’n bijzondere omstandigheid. Het behoort namelijk tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante om tijdig een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen dan wel zich tot het college te wenden om nadere informatie. Dit heeft de Raad al eerder tot uitdrukking gebracht. [2]
Ingevolge artikel 3.1, derde lid, van de Beleidsregels kan ook voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum van de aanvraag bijzondere bijstand worden verleend, maar dan mogen de nota’s niet ouder zijn dan drie maanden.
Zoals de rechtbank al heeft overwogen, moet dit beleid worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid voor zover hiermee de mogelijkheid wordt geboden de aanvraag in te dienen nadat de kosten zijn opgekomen. De bestuursrechter kan dan alleen toetsen of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en of fundamentele rechten waarop een beroep wordt gedaan niet zijn geschonden. Dit is vaste rechtspraak. [3] Niet in geschil is dat het beleid consistent is toegepast. Appellante heeft geen beroep gedaan op fundamentele rechten. Anders dan appellante veronderstelt, is het voor de Raad niet mogelijk om te beoordelen of zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb die afwijking van buitenwettelijk begunstigend beleid rechtvaardigen. Dit is al eerder overwogen. [4]
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit is vaste rechtspraak. [5] Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van het college een toezegging of uitlating is gedaan dan wel een gedraging is verricht waaruit appellante kon en mocht afleiden dat het niet uitmaakte wanneer zij een aanvraag om bijzondere bijstand indient. Het gestelde gebrek aan voorlichting dat nota’s niet ouder mogen zijn dan drie maanden is in ieder geval niet te beschouwen als zo’n toezegging, andere uitlating of gedraging van het college. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom al niet.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) W.F. Claessens

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2374.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:162.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2522.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.