Uitspraak
20.2930 PW-PV
mr. H. Biemond.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor energiekosten die zij had gemaakt vóór de datum van haar aanvraag. De aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam afgewezen omdat de nota's ouder waren dan drie maanden en de aanvraag te laat was ingediend.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege wijziging van de grondslag door het college, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het hoger beroep richtte zich tegen deze rechtsgevolgen. Appellante stelde dat het college haar niet had voorgelicht over de termijn voor indiening en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die vóór de aanvraag zijn opgekomen, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellante had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Ook het gebrek aan voorlichting en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalden, omdat er geen toezeggingen of gedragingen van het college waren waaruit een ander vertrouwen kon worden afgeleid.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft in stand vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het niet slagen van het beroep op het vertrouwensbeginsel.