ECLI:NL:CRVB:2022:1135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IVA-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid voor eigen werk
Appellant heeft een aangeboren ernstige oogaandoening en is maatschappelijk blind. Hij was van 1 oktober 2009 tot 31 maart 2014 als imam werkzaam. Op 4 april 2016 meldde hij zich ziek vanwege verslechterde visusklachten en kreeg een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 10 mei 2016 omdat appellant weer arbeidsgeschikt werd geacht voor zijn eigen werk.
Appellant vroeg met terugwerkende kracht vanaf 12 maart 2014 een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen wegens het niet volgen van de wettelijke wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was per 12 maart 2014, mede omdat hij toen niet ziek was gemeld en nog een jaar werkte zonder aanpassing van zijn arbeidsovereenkomst.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn verzoek om een IVA-uitkering per 12 maart 2014, stellende dat hij door diabetes verslechterde en nooit meer kan werken. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die het eerdere oordeel konden weerleggen en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een IVA-uitkering per 12 maart 2014 wordt afgewezen wegens het ontbreken van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.