ECLI:NL:CRVB:2022:1222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na vaststelling verdiencapaciteit met beperkingen
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek na een val met psychische en nekklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant met beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) nog 80,31% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Daarom werd zijn Ziektewetuitkering beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn psychische klachten, waaronder verhoogde prikkelbaarheid, PTSS, vermoeidheid en een verstandelijke beperking, onvoldoende waren meegenomen, en dat hij daarom een urenbeperking en beperkingen op samenwerken zou moeten krijgen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de psychische klachten niet leidden tot extra beperkingen op samenwerken of urenbeperking. De arbeidsdeskundige onderbouwde dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen ondanks beperkingen.