ECLI:NL:CRVB:2022:1233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon volgens Dagloonbesluit zonder hardheidsclausule
Appellante was werkzaam bij twee werkgevers en vroeg op 31 juli 2019 een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op €103,56, berekend op basis van een referteperiode van acht maanden en 172 dagloondagen volgens het Dagloonbesluit. Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, stellende dat de berekeningsmethode ongunstig uitpakte vanwege loonuitbetalingen die niet overeenkwamen met de gewerkte maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Dagloonbesluit dwingende regels bevat voor de toerekening van loon aan aangiftetijdvakken en geen ruimte biedt voor afwijkingen of hardheidsclausules. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de systematiek ongeschikt is voor tijdelijke contracten en dat de maand april 2019 buiten beschouwing moest blijven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het aantal dagloondagen op 172 heeft gesteld en dat de loonbetalingen terecht aan de maand april 2019 zijn toegerekend. De Raad bevestigde dat het Dagloonbesluit geen uitzonderingsmogelijkheden biedt en dat het dagloon correct is vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld op €103,56 volgens het Dagloonbesluit zonder ruimte voor afwijking.