ECLI:NL:CRVB:2022:1459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na herziening WAZ-uitkering en nabetaling
Appellant, voormalig directeur-grootaandeelhouder en ontvanger van een WAZ-uitkering, stelde dat het UWV te laat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage had herzien, wat leidde tot een nabetaling in 2019 en financiële schade.
De Raad stelde vast dat het besluit van 4 juni 2019 de inhoudelijke bezwaren van appellant volledig tegemoetkwam, waardoor het geschil beperkt bleef tot de vergoeding van de door appellant gestelde schade.
De Raad oordeelde dat de fiscale schade en misgelopen zorgtoeslag niet concreet waren onderbouwd en dat de materiële schade zoals woonlasten en opslagkosten reeds door wettelijke rente waren gedekt en daarom niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.
Voor immateriële schade stelde de Raad dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij psychische schade had geleden, zodat ook deze schade niet werd vergoed.
Uiteindelijk werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd, waarbij ook geen proceskosten werden toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.