ECLI:NL:CRVB:2022:1475

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
8 juli 2022
Zaaknummer
19/5355 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten ondanks gokverslaving

Appellant ontving bijstand sinds maart 2018 en gaf tijdens de aanvraag aan dat hij gokverslaafd was, maar niet meer gokte. Later bleek uit bankafschriften en een onderzoek dat hij tussen mei en juli 2018 toch gokactiviteiten verrichtte zonder dit te melden aan het college.

Het college trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen verwijt treft vanwege zijn gokverslaving en dat hij geen winst behaalde omdat hij de gewonnen punten direct weer inzette.

De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat het niet melden van gokactiviteiten een schending vormt, ongeacht verwijtbaarheid. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij recht had op bijstand als hij wel had gemeld. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.

Uitspraak

19.5355 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2019, 19/1211 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 28 juni 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.M. Piters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 5 maart 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Na zijn aanvraag om bijstand en voor de toekenning daarvan heeft een bijstandsconsulente de bankafschriften van appellant gecontroleerd. Appellant heeft bij die gelegenheid over een storting op zijn bankrekening van € 180,- verklaard dat deze zag op gokopbrengsten. Appellant heeft over zijn gokactiviteiten verklaard dat hij gokverslaafd was maar dat hij nu niet meer gokt. De consulent heeft onder meer in verband hiermee een heronderzoek van de bijstand gepland per 1 augustus 2018 om vast te stellen of er nog inkomsten uit gokactiviteiten zijn (geweest). De consulent heeft dit per e-mailbericht van 8 mei 2018 aan de klantmanager van appellant meegedeeld.
1.3.
Een medewerker van de sector Maatschappelijke Zorg heeft appellant bij brief van 6 augustus 2018 uitgenodigd voor een heronderzoek op 15 augustus 2018 en verzocht om onder meer bankafschriften over te leggen over de periode van 1 mei 2018 tot 1 augustus 2018. Appellant is op dat gesprek niet verschenen. Daarna hij is uitgenodigd voor een gesprek op 22 augustus 2018. Appellant is op dat gesprek verschenen en heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd. Na dit gesprek heeft de klantmanager van appellant de overgelegde bankafschriften bestudeerd en geconstateerd dat veel pintransacties buiten [woonplaats] hebben plaatsgevonden. Daarom is bij de klantmanager twijfel ontstaan over de woon- en leefsituatie van appellant. Het dossier is vervolgens overgedragen aan de sociale recherche voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is appellant verhoord op 15 oktober 2018. Uit de door appellant afgelegde verklaring blijkt dat de pintransacties zien op gokactiviteiten van appellant. Appellant speelt bij een gokbedrijf in [woonplaats] op gokautomaten. Met het spelen kunnen punten verdiend worden waarmee doorgespeeld kan worden. De punten kunnen ook cash uitbetaald worden. Appellant heeft geen administratie van zijn gokactiviteiten kunnen overleggen. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van de klantmanager van 17 oktober 2018 en in een rapport van de sociale recherche van 1 oktober 2018.
1.3.
Naar aanleiding van de onder 1.2 genoemde onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 17 oktober 2018 (intrekkingsbesluit) het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2018 tot 1 augustus 2018 ingetrokken op de grond dat appellant gokactiviteiten heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt. Omdat de hoogte van de gokopbrengsten niet inzichtelijk is gemaakt kan het recht op bijstand over deze maanden niet worden vastgesteld.
1.4.
Bij besluit van 1 november 2018 heeft het college de over de periode van 1 mei 2018 tot 1 augustus 2018 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 4.576,05. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.5.
Bij besluit van 3 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Uit het onder 1.2 genoemde e-mailbericht blijkt volgens appellant dat het college op de hoogte was van zijn gokactiviteiten. Appellant heeft voorts geen winst behaald met zijn gokactiviteiten. Hij heeft wat hij won met het spelen op de gokautomaten direct weer ingezet om verder te spelen. Appellant kan geen andere administratie overleggen dan zijn bankafschriften. Hij is onevenredig getroffen door de intrekking. Appellant treft geen verwijt nu hij gokverslaafd is en zijn dwangmatig gokgedrag een ziekte is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Schending inlichtingenverplichting
4.1.
Niet in geschil is dat appellant in de maanden mei 2018 tot en met juli 2018 gokactiviteiten heeft verricht. Anders dan appellant heeft gesteld, blijkt niet uit de gedingstukken dat hij bij het college in deze periode op enig moment melding heeft gemaakt van zijn gokactiviteiten. Uit de gedingstukken blijkt dat de gokactiviteiten zijn besproken tijdens de aanvraagprocedure, maar daaruit blijkt eveneens dat appellant bij die gelegenheid heeft verklaard niet meer te gokken.
4.2.
Gokken is een bezigheid die gemeld moet worden, omdat uit de aard daarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Appellant had het college hiervan op de hoogte moeten stellen, zodat het college kon onderzoeken of inkomsten werden verworven en tot welk bedrag. Vergelijk de uitspraken van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703, 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3422 en 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:483. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, per saldo geen gokopbrengsten had omdat hij de met het gokken gewonnen punten weer inzette om verder te spelen, doet er niet aan af dat de opbrengsten van invloed zijn op – de omvang van – het recht op bijstand. Appellant had de gewonnen punten immers kunnen laten uitbetalen en daarmee kunnen beschikken over de daarmee corresponderende bedragen. Die bedragen zijn aan te merken als inkomsten die vrij tot zijn beschikking staan. In het kader van de bijstand is daarom niet van betekenis wat appellant vervolgens heeft ingezet om te gokken en wat hij daarmee heeft verloren.
4.3.
De grond dat appellant wegens zijn gokverslaafdheid geen verwijt kan worden gemaakt van de schending van de inlichtingenverplichting slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat de inlichtingverplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speel. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1179. Dat appellant dwangmatig gokt staat er bovendien niet aan in de weg dat hij van de gokactiviteiten en de opbrengsten daaruit melding maakt bij het college.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het ligt in die situatie op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, als hij daarvan wel melding had gemaakt, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Appellant is met het enkel overleggen van zijn bankafschriften niet geslaagd in deze bewijslast nu uit deze bankafschriften niet blijkt wat de gokopbrengsten van appellant zijn geweest. Dat appellant stelt geen andere gegevens dan zijn bankafschriften te kunnen overleggen komt in dit geval voor zijn rekening en risico.
Evenredigheid
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het recht op bijstand door de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Als gevolg hiervan is ten onrechte bijstand verleend, zodat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de PW was gehouden de bijstand in te trekken over de te beoordelen periode. Omdat het college gehouden was de bijstand van appellant in te trekken, bestond geen ruimte om hiervan af te zien vanwege de door appellant onder 3 genoemde omstandigheden. Vergelijk de uitspraak van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:483, waar de Raad tot hetzelfde oordeel kwam wat de terugvordering betreft.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2022.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) Y.S.S. Fatni