Uitspraak
21.3114 AKW, 21/4005 AKW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in Marokko en tevens houder van de Nederlandse nationaliteit, keerde in 2010 terug naar Marokko en vestigde zich pas in februari 2020 weer in Nederland. Hij vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Marokko wonende kinderen, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de ingezetenschapsvereisten van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank oordeelde dat appellant op de peildata (tweede, derde en vierde kwartaal 2020 en eerste kwartaal 2021) nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland had. Hij verbleef kort in Nederland, woonde bij zijn zus zonder eigen woonruimte, had geen werk en zijn gezin verbleef nog in Marokko met een eigen huurwoning. Pogingen tot gezinshereniging waren niet aangetoond.
Appellant voerde aan dat hij zich duurzaam had gevestigd en aan alle verplichtingen voldeed, maar de Raad volgde dit niet. De Raad benadrukte dat inschrijving in de Basisregistratie Personen en het ontvangen van een bijstandsuitkering niet automatisch ingezetenschap betekenen zonder een beoordeling van de feitelijke omstandigheden.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en oordeelde dat appellant geen recht had op kinderbijslag over de genoemde perioden wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.
Uitkomst: Appellant had geen recht op kinderbijslag wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.