ECLI:NL:CRVB:2022:146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland in 2019
Appellante, die in 2013 Nederland verliet en in november 2018 met haar zoon terugkeerde, vorderde kinderbijslag over het eerste tot en met derde kwartaal van 2019. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat zij op de peildata niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd vanwege het ontbreken van een duurzame persoonlijke band. Appellante had geen zelfstandige woonruimte, geen werk en beperkte objectieve bindingen met Nederland.
De rechtbanken verklaarden de beroepen tegen de weigeringen ongegrond, behalve voor het vierde kwartaal van 2019, waar een duurzame band werd aangenomen vanwege het verblijf in een doorstroomwoning en de langere verblijfsduur. Appellante voerde aan dat haar zorgverzekering en inschrijving in de Basisregistratie Personen (brp) wezen op ingezetenschap en dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) haar recht op kinderbijslag ondersteunde.
De Raad oordeelde dat het beschikken over een zorgverzekering niet automatisch ingezetenschap betekent en dat de Svb niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Het beroep op het IVRK faalde omdat het nationale rechtelijke kader leidend is, mits de belangen van het kind voldoende zijn betrokken. De Raad concludeerde dat de Svb terecht kinderbijslag heeft geweigerd over de eerste drie kwartalen van 2019 en bevestigde de aangevallen uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op kinderbijslag over het eerste tot en met derde kwartaal van 2019 wegens het ontbreken van een duurzame band met Nederland.